www.jonathansafranfoer, alles over de Amerikaanse schrijver Jonathan Safran Foer. Op deze site leest u alles over zijn leven en zijn boeken d.m.v. fragmenten, recensies, artikelen en interviews.
Extreem luid & ongelooflijk dichtbij
Flamingo pocket, € 12,50
ISBN 978 90 414 1497 7
Blauwe midprice, € 12,50
ISBN 978 90 414 1280 5
Rode midprice, € 12,50
ISBN 978 90 414 1252 2
Vertaling Gerda Baardman
en Tjadine Stheeman
Oskar Schell is uitvinder, sieradenontwerper, amateur-entomoloog, francofiel, slagwerker, verwoed schrijver van fanmail, pacifist, archeolooog van Central Park, romanticus, Groot Ontdekkingsreiziger, juwelier, acteur (Yorick in de schoolvoorstelling van Hamlet), inconsequent veganist, verzamelaar van: zeldzame munten, vlinders die een natuurlijke dood zijn gestorven, Beatles-spullen, miniatuurcactussen en halfedelstenen. Hij is negen jaar.
Oskar heeft zijn vader verloren bij de aanslagen op het WTC in New York. In zijn vaders kledingkast vindt Oskar een vaas, en wanneer hij die per ongeluk laat vallen ontdekt hij een vreemd uitziende sleutel. Dan begint de jonge Oskar een zoektocht die hem door de stad New York zal voeren, in een poging betekenis te geven aan de zinloze dood van zijn vader.
Krijg nou de…
Wat dacht je van een waterketel? Bijvoorbeeld eentje met een tuit die open- en dichtgaat zodra het water begint te koken, als een soort mond, en die leuke wijsjes kan fluiten, of Shakespeare kan citeren, of waarmee ik de slappe lach kan krijgen? Ik zou ook een waterketel kunnen uitvinden die voorleest met papa’s stem, zodat ik erbij in slaap kan vallen, of een aantal ketels die het refrein van ‘Yellow Submarine’ zingen, een nummer van The Beatles, die ik geweldig vind, want insectenkunde is een van mijn raisons d’être, dat is een Franse uitdrukking die ik ken. Wat ook leuk zou zijn is om mijn anus te leren woordjes te zeggen als ik winden laat. Als ik extreem grappig uit de hoek wil komen, zou ik hem moeten leren om elke keer dat ik een verschrikkelijk harde scheet laat ‘Was ik niet!’ te zeggen. En als ik in de Spiegelzaal, die zich in Versailles bevindt, en dat ligt weer buiten Parijs, en Parijs ligt weer in Frankrijk, een verschrikkelijk harde scheet zou laten, moet mijn anus natuurlijk zeggen: ‘Ce n’était pas moi!
Of kleine microfoontjes? Stel dat iedereen een microfoontje inslikt waarmee het kloppen van het hart wordt versterkt en dat je dat dan hoort uit kleine luidsprekertjes die je in de zak van je overal kan stoppen. En als je ’s avonds op je skateboard door de straat rijdt, hoor je iedereens hartslag, en iedereen hoort die van jou, ongeveer zoals sonar. Er is wel iets bizars, ik vraag me namelijk af of alle harten precies tegelijk zouden gaan kloppen, net als vrouwen in één huis die op dezelfde dag ongesteld worden, dat weet ik toevallig, maar eigenlijk wil ik dat niet weten. Het lijkt me in ieder geval heel maf. Alleen de ziekenhuisafdeling waar baby’s worden geboren zou klinken als een kristallen kroonluchter in een woonboot, omdat de baby’s nog geen tijd hebben gehad hun hartslag op elkaar af te stemmen. En bij de eindstreep van de marathon in New York City zou het als oorlog klinken.
En hoe vaak overkomt het je niet dat je er razendsnel vandoor wilt, alleen hebben mensen geen vleugels, nog niet althans, dus zat ik te denken aan een hemd van vogelzaad.
Enfin.
Drieënhalve maand geleden had ik mijn eerste jiujitsu-les. Om voor de hand liggende redenen was ik razend nieuwsgierig naar wat zelfverdediging inhield, en het leek mama een goed idee dat ik naast mijn tamboerijnspel ook wat andere lichaamsbeweging kreeg, zo kwam het dus dat ik drieënhalve maand geleden mijn eerste jiujitsu-les had. We waren met veertien leerlingen en we hadden allemaal een cool wit pak aan. We oefenden hoe je moest buigen, en daarna moesten we allemaal in kleermakerszit op de grond gaan zitten, en toen haalde sensei Mark mij naar voren.’Trap me in mijn kruis,’ beval hij. Dat gaf me een ongemakkelijk gevoel. ‘Excusez-moi?’ zei ik. Hij ging wijdbeens staan en zei: ‘Ik wil dat je me zo hard als je kunt in mijn kruis trapt.’ Hij zette zijn handen in zijn zij, haalde diep adem en deed zijn ogen dicht, en op dat moment wist ik dat hijhet meende. ‘No way,’ zei ik tegen hem, en ik dacht bij mezelf: Krijg nou de… Hij zei: ‘Vooruit, knul. Trap me keihard in mijn kruis.’ ‘Keihard in uw kruis trappen?’ Hij stond zich met dichte ogen enorm te verkneukelen en zei: ‘Het zou je niet eens lukken om me keihard in mijn kruis te trappen. Daar gaat het hier nou juist om. Dit is een demonstratie van hoe het goedgetrainde lichaam meegaat met een directe aanval. Kom op, trap me in mijn kruis.’ Ik zei: ‘Ik ben een pacifist,’ en aangezien de meeste mensen niet weten wat dat is, draaide ik me om en legde aan de anderen uit: ‘Ik vind niet dat je iemand in zijn kruis mag trappen. Nooit.’ Sensei Mark zei: ‘Mag ik je iets vragen?’ waarop ik me weer omdraaide en zei: ‘Dat hebt u dus net gedaan.’ Hij vroeg: ‘Is het jouw grote droom om ooit jiujitsu-meester te worden?’ ‘Nee,’ antwoordde ik, hoewel het inmiddels ook niet meer mijn droom is om de juwelierszaak van mijn ouders over te nemen. Hij zei: ‘Wil je weten hoe een jiujitsu-leerling een jiujitsu-meester wordt?’ ‘Ik wil alles weten,’ antwoordde ik, hoewel dat inmiddels ook niet meer zo is. Hij zei: ‘Een jiujitsu-leerling wordt een jiujitsu-meester als hij zijn meester in zijn kruis weet te trappen.’ Ik antwoordde: ‘Reuzeboeiend.’ Drieënhalve maand geleden had ik mijn laatste jiujitsu-les.
Ik zou heel graag willen dat ik mijn tamboerijn bij me had, want door alle gebeurtenissen ben ik nog steeds in mineur, en soms helpt het om een lekker ritme te trommelen. Het meest indrukwekkende nummer dat ik op mijn tamboerijn kan spelen is ‘De vlucht van de hommel’ van Nicolai Rimsky-Korsakov, toevallig ook de ringtone die ik heb gedownload voor mijn mobiel dat ik heb gekregen na de dood van papa. Het is best knap dat ik ‘De vlucht van de hommel’ kan spelen want bij sommige delen moet je ongelooflijk snel roffelen, en voor mij is dat heel erg moeilijk, omdat ik nog niet zulke stevige polsen heb. Ron heeft aangeboden om een vijfdelig drumstel voor me te kopen. Money can’t buy me love, uiteraard, maar ik wilde weten of het dan eentje mocht zijn met Zildjian-bekkens. Hij zei:’Wat je maar wilt,’ en toen pakte hij mijn jojo van mijn bureau en ging daarmee de hond uitlaten. Ik weet dat het aardig bedoeld was van hem, maar ik werd pisnijdig. ‘Jojo moi!’ riep ik en ik pakte hem af. Wat ik eigenlijk wilde zeggen was: ‘Jij bent mijn vader niet, en dat zul je nooit worden ook.’
Is het niet ontzettend raar dat er steeds meer dode mensen bijkomen, terwijl de aarde even groot blijft, zodat er op een dag niet genoeg ruimte meer zal zijn om iedereen te begraven? Van mijn oma kreeg ik dit jaar voor mijn negende verjaardag een abonnement op National Geographic, die zij steevast ‘de’ National Geographic noemt. Verder kreeg ik een witte blazer van haar, want ik draag alleen maar witte kleren, maar hij zit me te ruim dus kan ik er nog een tijdje mee doen. En ik kreeg ook nog mijn opa’s camera, die ik om twee redenen geweldig vond. Ik vroeg waarom hij hem niet had meegenomen toen hij bij haar wegging. Ze antwoordde: ‘Misschien wilde hij dat jij hem kreeg.’ Ik zei: ‘Maar toen was ik nog min dertig jaar.’ En zij zei: ‘Evengoed.’ Enfin, ik las iets heel interessants in National Geographic, namelijk dat er nu meer mensen leven dan er in de hele geschiedenis van de mensheid zijn doodgegaan. Met andere woorden: als iedereen op hetzelfde moment Hamlet wil spelen, zou dat gewoon niet kunnen omdat er niet genoeg schedels zijn!
En wat dacht je van ondergronds gebouwde wolkenkrabbers voor dode mensen? Die zitten dus onder de bovengrondse wolkenkrabbers voor levende mensen. Dan kun je honderd etages diep mensen begraven, en onder de levende wereld ontstaat dan een compleet dode wereld. Wat me ook bizar lijkt is een wolkenkrabber die op en neer gaat terwijl de lift stil blijft staan. Dus als je naar de vijfennegentigste etage moet, dan druk je op het knopje met 95 en dan komt de vijfennegentigste etage naar je toe. Bovendien is het ook heel erg handig, want als je op de vijfennegentigste etage bent en een vliegtuig boort zich onder je in het gebouw, dan kan het gebouw je naar de grond brengen, en blijft iedereen ongedeerd, ook al heb je die dag je vogelzaad-hemd thuis laten liggen.
Ik heb nog maar twee keer in m’n leven in een limousine gezeten. De eerste keer was vreselijk, ook al was het een geweldige limousine. Thuis mag ik geen tv kijken, en ook in een limousine mag ik geen tv kijken, maar toch was het cool dat er een ingebouwde tv in zat. Ik vroeg of we langs school konden rijden, zodat Tandpasta en de Minch me in een limousine zouden zien zitten. Mama zei dat de school niet op de route lag, en dat we niet te laat op de begraafplaats mochten komen. ‘Waarom niet?’ vroeg ik, mijns inziens een goede vraag want als je erover nadenkt, waarom niet? Inmiddels ben ik het niet meer, maar vroeger was ik atheïst, wat wil zeggen dat je niet gelooft in dingen die je niet kunt waarnemen. Ik geloofde dat als je dood was, je voor altijd dood was, en niets meer kon voelen, zelfs niet meer kon dromen. Niet dat ik nu wél geloof in dingen die je niet kunt waarnemen, want dat doe ik nog steeds niet. Maar ik geloof wel dat het allemaal uiterst ingewikkeld ligt. En bovendien gingen we hem niet echt begraven.
Ik vond het vervelend dat oma de hele tijd aan me zat, ook al probeerde ik mijn ergernis weg te stoppen. Daarom was ik maar voorin gaan zitten, en porde net zo lang in de schouder van de chauffeur tot hij me aankeek. ‘Wat. Is. Uw. Benaming,’ vroeg ik met een Stephen Hawking-stemmetje. ‘Watte?’ ‘Hij wil weten hoe u hoe heet,’ zei oma vanaf de achterbank. Hij gaf me zijn kaartje.
Ik gaf hem mijn kaartje en zei: ‘Gegroet, Gerald. Ik. Ben. Oskar.’ Hij vroeg waarom ik zo praatte. Ik antwoordde: ‘Oskars spraakcomputer is een microprocessor die is aangesloten op het zenuwstelsel. Een lerende computer. Hoe meer contact hij heeft met mensen, hoe meer hij leert.’ Gerald zei: ‘O,’ en toen: ‘Ké.’ Ik kon niet zeggen of hij me leuk vond of niet, dus zei ik: ‘Uw zonnebril kostte honderd dollar.’ Hij zei: ‘Honderdvijfenzeventig.’ ‘Kent u veel vieze woorden?’ ‘Een paar.’ ‘Ik mag geen vieze woorden zeggen.’ ‘Balen.’ ‘Wat is balen?’ ‘Iets vervelends.’ ‘Kent u shit?’ ‘Dat is toch een vies woord?’ ‘Niet als je chips zegt.’ ‘Dan misschien niet, nee.’ ‘Konsalik m’n Balzac met chips.’ Gerald schudde zijn hoofd en hij moest een beetje lachen, maar dat was positief, want hij lachte me niet uit. ‘Ik mag niet eens afgelikte boterham zeggen,’ zei ik tegen hem, ‘behalve als ik een echte boterham bedoel die iemand heeft afgelikt. Coole autohandschoenen.’ ‘Dank je.’ En toen bedacht ik iets, dus zei ik: ‘Weet je, als limousines extreem lang waren, had je geen chauffeur meer nodig. Dan stap je gewoon achter in, loopt de limousine door en stapt er voorin weer uit, en dan ben je waar je wezen moet. Dus in dit geval zou de voorkant op de begraafplaats uitkomen.’ ‘En dan had ik nu naar de wedstrijd kunnen kijken.’ Ik tikte hem op zijn schouder en zei: ‘Als je in het woordenboek "lachen" opzoekt, staat er een foto bij van u.’
Achterin had mama iets in haar tasje. Aan haar gespannen armspieren zag ik dat ze het tegen zich aandrukte. Oma was witte wanten aan het breien, die waren dus voor mij, al was het buiten nog niet koud. Ik wilde mama vragen wat ze tegen zich aandrukte en waarom ze het verborgen moest houden. Ik weet nog dat ik dacht: ook al sterf ik van onderkoeling, die wanten doe ik nooit maar dan ook nooit aan.
‘Trouwens, nu ik toch bezig ben,’ zei ik tegen Gerald, ‘ze zouden ook een ongelóóflijk lange limousine kunnen bouwen waarvan de achterkant begint bij de dinges van je moeder en de voorkant eindigt bij je grafsteen, dus zo lang als je hele leven.’ Waarop Gerald zei: ‘Maar als iedereen zo leefde, zou je nooit meer contact hebben met een ander, of wel?’ En ik zei:‘Nou en?’
Mama drukte het tasje tegen zich aan, oma breide en ik zei tegen Gerald: ‘Ik heb eens een Franse kip een trap in zijn maag gegeven,’ omdat ik hem aan het lachen wilde krijgen, want als ik hem aan het lachen kreeg, zou ik me niet meer zo in mineur voelen. Hij reageerde niet, waarschijnlijk omdat hij me niet hoorde, dus zei ik: ‘Ik zei dus dat ik een Franse kip eens een trap in zijn maag heb gegeven.’ ‘Wat?’ ‘De kip zei "oeuf ".’ ‘Wát zeg je?’ ‘Het is een mop. Wilt u er nog eentje horen, of hebt u oeuffe genoeg?’ Hij keek in zijn spiegeltje naar oma en vroeg: ‘Waar heeft hij het over?’ Ze antwoordde: ‘Zijn opa hield meer van dieren dan van mensen.’ Ik zei: ‘Snappie? Oeuf?’
Ik schoof weer terug want het is gevaarlijk om te praten onder het rijden, vooral op de snelweg, en daar reden we op. Oma begon weer aan me te zitten, wat vervelend was, ook al wilde ik dat ik het niet erg vond. Mama zei: ‘Schat?’ en ik antwoordde: ‘Oui,’ en zij vroeg: ‘Heb jij soms de reservesleutel van onze flat aan de postbode gegeven?’ Ik vond het raar dat ze daar nu over begon, omdat het nergens op sloeg, maar ik dacht dat ze misschien een gespreksonderwerp zocht dat afweek van het voor de hand liggende. Ik zei: ‘De postbode is een postbodin.’ Ze knikte, tegen niemand in het bijzonder, en vroeg of ik de postbodin de sleutel had gegeven. Ik knikte bevestigend, omdat ik vóór het gebeurde nog nooit tegen haar had gelogen. Daar had ik geen reden toe. ‘Waarom heb je dat gedaan?’ vroeg ze. Dus legde ik uit: ‘Stan…’ En zij vroeg: ‘Wie?’ En ik zei: ‘Stan, de huismeester. Die gaat soms even om de hoek koffie halen, en ik wil wel zeker weten dat ik alle pakjes krijg die voor mij bestemd zijn, dus dacht ik, als Alicia nou…’ ‘Wie?’ ‘De postbodin. Als zij nou een sleutel heeft, dan kan ze de spullen binnen in de gang leggen. ‘Maar je kunt een vreemde niet zomaar onze sleutel geven.’ ‘Gelukkig is Alicia geen vreemde.’ ‘Er staan veel kostbare spullen in ons huis.’ ‘Weet ik. We hebben prachtige dingen.’ ‘Soms lijken mensen heel aardig maar dan blijken ze uiteindelijk toch niet zo aardig te zijn, snap je? Stel nou dat ze jouw spullen pikt?’ ‘Dat zou ze nooit doen.’ ‘Maar stel nou van wel?’ ‘Dat zou ze echt niet doen.’ ‘En heeft ze jou soms de sleutel van háár huis gegeven?’ Het was duidelijk dat ze boos op me was, maar ik wist niet waarom. Ik had niets verkeerds gedaan. En zo ja, dan wist ik niet wat. En ik had het in ieder geval niet met opzet gedaan.
Ik schoof naar oma’s kant in de limousine en zei tegen mama: ‘Wat moet ik nou met een sleutel van haar huis?’ Ze voelde dat ik mezelf in mijn onzichtbare slaapzak dichtritste en ik voelde dat ze niet echt van me hield. Ik wist hoe het werkelijk zat, want als het aan haar had gelegen, waren we nu op weg naar mijn begrafenis. Ik keek omhoog door het schuifdak van de limousine, en ik probeerde me voor te stellen hoe de wereld er had uitgezien voordat er plafonds waren, en dat bracht mij op de vraag: Heeft een grot een plafond, of is een grot een en al plafond? ‘Misschien zou je de volgende keer eerst even met mij kunnen overleggen, goed?’ ‘Niet boos zijn,’ zei ik, en ik boog voor oma langs om het portierslot een paar keer open en dicht te klikken. ‘Ik ben niet boos op je,’ zei ze. ‘Ook niet een klein beetje?’ ‘Nee.’ ‘Hou je nog van me?’ Dit leek me niet het juiste moment om haar te vertellen dat ik ook duplicaten van de sleutel had laten maken voor de pizzabezorger en de man van ups, en voor die aardige gasten van Greenpeace, zodat ze, als Stan koffie halen was, artikelen konden neerleggen over zeekoeien en andere dieren die met uitsterven werden bedreigd. ‘Ik hou meer dan ooit van je.’
‘Mam?’ ‘Ja?’ ‘Ik heb een vraag.’ ‘Goed.’ ‘Waarom druk je je tasje zo tegen je aan?’ Ze haalde haar hand weg en deed het tasje open, dat leeg was. ‘Zomaar,’ zei ze.
Hoewel het een verschrikkelijk droevige dag was, zag ze er ongelooflijk mooi uit. Ik zon op een manier om haar dat te vertellen, maar alle manieren die ik kon bedenken waren raar of ongepast. Ze had de armband om die ik voor haar had gemaakt, en dat gaf me een groot gevoel van geluk. Ik vind het heerlijk om sieraden voor haar te maken, want dat maakt haar blij, en haar blij maken is nog een van mijn raisons d’être.
Inmiddels is het niet meer mijn droom, maar zo lang ik me kan herinneren wilde ik de juwelierszaak van mijn familie overnemen. Papa riep altijd dat ik te slim was om middenstander te worden. Dat vond ik onlogisch, want hij was slimmer dan ik, dus als ik al te slim was voor middenstander, dan was hij het helemaal. Toen ik dat tegen hem zei, antwoordde hij: ‘Ten eerste ben ik niet slimmer dan jij, ik heb alleen meer algemene ontwikkeling, maar dat komt gewoon doordat ik ouder ben dan jij. Ouders hebben altijd meer algemene ontwikkeling dan hun kinderen, en kinderen zijn altijd slimmer dan hun ouders.’ ‘Tenzij het kind achterlijk is,’ zei ik. Daar kon hij niets tegenin brengen. ‘Je zei ten eerste, en wat is ten tweede?’ ‘Ten tweede, waarom ben ik dan middenstander geworden als ik zo slim ben?’ ‘Dat is waar,’ gaf ik toe. En toen bedacht ik iets: ‘Wacht eventjes, als niemand van de familie de zaak overneemt is het geen familiezaak meer.’ Hij zei: ‘Jawel, hoor. Dan wordt het gewoon de zaak van een andere familie.’ Ik vroeg: ‘En onze familie dan? Openen wij een nieuwe zaak?’ Hij zei: ‘We bedenken wel iets om te openen.’ Daar moest ik weer aan denken toen ik voor de tweede keer in een limousine zat, samen met de huurder, om papa’s lege kist op te graven.
Op zondag deden papa en ik soms een geweldig spel dat Verkenningsexpeditie heette. De ene keer was het een heel simpele Verkenningsexpeditie, zoals toen hij me opdracht gaf om uit elk decennium van de twintigste eeuw een voorwerp te zoeken – ik was zo slim om met een steen aan te komen zetten – en de andere keer was het ongelooflijk ingewikkeld, en kon het wekenlang duren. Voor de laatste Verkenningsexpeditie, die we nooit hebben afgemaakt, gaf hij me een plattegrond van Central Park. ‘En nu?’ vroeg ik. En hij zei: ‘Hoe bedoel je?’ Ik zei: ‘Wat zijn de aanwijzingen?’ Hij zei: ‘Wie zegt dat er aanwijzingen zijn?’ ‘Er zijn altijd aanwijzingen.’ Hij zei: ‘Tenzij geen aanwijzingen de aanwijzing is.’ ‘Is geen aanwijzingen een aanwijzing?’ Hij haalde zijn schouders op alsof hij geen idee had waar ik het over had. Geweldig vond ik dat.
De hele dag zwierf ik door het park op zoek naar iets wat me op weg kon helpen, alleen wist ik niet waar ik naar moest zoeken. Ik vroeg aan voorbijgangers of ze soms iets wisten wat ik moest weten, want papa bedacht weleens Verkenningsexpedities waarbij ik met mensen moest praten. Maar iedereen die ik aansprak had iets van ‘Wat krijgen we nou?’ Ik zocht naar aanwijzingen rond de grote vijver, vroeger het drinkwaterbassin. Ik las alle aanplakbiljetten op alle lantaarnpalen en bomen. Ik bestudeerde de beschrijvingen van de dieren in de dierentuin. Ik vroeg zelfs aan mensen die aan het vliegeren waren of ze hun vlieger wilden inhalen zodat ik die kon bekijken, al besefte ik dat de kans klein was. Maar soms kon papa zulke listige dingen bedenken. Ik vond niets, wat teleurstellend was, tenzij niets een aanwijzing was.
Die avond haalden we kleefvoer bij Generaal Tso, en het viel me op dat papa een vork gebruikte hoewel hij juist heel handig was met eetstokjes. ‘Hé, wacht even!’ riep ik en ik stond op. Ik wees naar zijn vork. ‘Is die vork soms een aanwijzing?’ Hij haalde zijn schouders op, wat ik opvatte als ‘ja’. Ik dacht: vork, vork. Ik rende naar mijn lab om mijn metaaldetector uit de doos te halen. Omdat ik ’s avonds niet alleen naar het park mag, ging oma met me mee. Ik begon bij de ingang aan 86th Street, en liep in kaarsrechte lijnen alsof ik een Mexicaanse gemeentewerker was die het gras maaide, om er zeker van te zijn dat ik niets over het hoofd zag. Het was zomer, dus ik wist dat de insecten luidruchtig waren, alleen hoorde ik ze niet omdat ik mijn oorbeschermers op had. Ik was alleen met het ondergrondse metaal.
Elke keer dat de piepjes elkaar sneller opvolgden, vroeg ik oma om me met de zaklantaarn bij te lichten. Daarna deed ik mijn witte handschoenen aan, haalde het handschepje uit mijn jonge-onderzoekerstas en begon uiterst voorzichtig te spitten. Als ik iets zag, veegde ik met een verfkwast het zand weg, als een echte archeoloog. Hoewel ik die avond maar een kleine rechthoek van het park doorzocht, was mijn buit een muntje, een handjevol paperclips, iets wat volgens mij het metalen trekkoordje van een lamp was, en een sushi-koelkastmagneetje, dat weet ik toevallig, al wil ik dat helemaal niet weten. Ik stopte al het bewijsmateriaal in een zak, en gaf de plek van de vondst aan op de plattegrond.
Thuis onderwierp ik in mijn lab mijn vondsten, stuk voor stuk, onder de microscoop aan een grondig onderzoek: een verbogen lepel, een paar schroeven, een roestige schaar, een speelgoedautootje, een pen, een sleutelhanger, een kapotte bril voor iemand met verschrikkelijk slechte ogen…
Ik liet ze aan papa zien, die aan de keukentafel de New York Times zat te lezen en met zijn rode pen de fouten aanstreepte. ‘Kijk, dit heb ik gevonden,’ zei ik en met het dienblad vol bewijsmateriaal duwde ik de poes van tafel. Papa keek ernaar en knikte. Ik vroeg: ‘En nu?’ Hij haalde zijn schouders op alsof hij niet wist waar ik het over had, en ging weer verder met zijn krant. ‘Je kunt toch wel zeggen of ik op het goede spoor ben?’ Buckminster snorde en papa haalde weer zijn schouders op. ‘Als je niets zegt, dan weet ik toch nooit of ik goed zit?’ Hij omcirkelde iets in een artikel en zei: ‘Een andere manier om het te benaderen is: hoe zou je ooit fout kunnen zitten?’
Hij stond op om wat water te drinken en ik keek naar wat hij op de pagi- na had omcirkeld, want zo doortrapt kon hij soms zijn. Het was een artikel over het vermiste meisje; iedereen dacht dat het congreslid dat het met haar deed erachter zat. Een paar maanden later werd haar lichaam gevonden in Rock Creek Park, in de stad Washington, maar toen was alles veranderd, en kon niemand het nog iets schelen, behalve haar ouders.

verklaring, die vanuit een geïmprovi-
seerd perscentrum achter het huis
van de familie Levy werd voorgelezen
aan enkele honderden journalisten,
benadrukte Chandra’s vader nogmaals
er alle vertrouwen in te hebben
dat zijn dochter werd gevonden. ‘We
zullen doorgaan met onze zoektocht
totdat we een doorslaggevende reden
hebben om niet meer naar haar te zoeken,
en dat is Chandra’s terugkeer.’
Toen er gelegenheid was om vragen te
stellen wilde een verslaggever van El
País weten of Levy met ‘terugkeer’ een
‘behouden terugkeer’ bedoelde. De
vader, overmand door emoties, kon
niet antwoorden, en zijn raadsman
nam de microfoon over. ‘We blijven
hopen en bidden dat Chandra ongedeerd
is en we doen alles wat in onze
macht

Het was geen vergissing! Het was een boodschap voor mij!
De drie avonden daarop ging ik zoeken in het park. Ik groef een haarspeld op, een rol muntjes, een punaise, een kleerhanger, een 9V-batterij, een Zwitsers zakmes, een piepklein fotolijstje, en een plaatje voor een hond die Turbo heette, plus een stukje aluminiumfolie, een ring, een scheermesje en een eeuwenoud zakhorloge dat stil was blijven staan om zeven minuten over halfzes, alleen wist ik niet of dat ’s ochtends of ’s avonds was. Ondertussen had ik nog steeds geen idee wat ik hiermee moest. Hoe meer ik vond, hoe minder ik snapte.
Ik legde de opengeslagen plattegrond op de eettafel, en de hoeken van de kaart verzwaarde ik met blikjes V8-groentesap. De stipjes waarmee ik de vindplekken had gemarkeerd, leken op de sterren in het heelal. Als een astroloog verbond ik ze met elkaar, en toen ik er met toegeknepen ogen, als een Chinees, naar keek, leek het wel een beetje op het woord ‘broos’. Broos. Wat was broos? Was Central Park broos? Was de natuur broos? Waren de dingen die ik had gevonden broos? Een punaise is niet broos. Is een verbogen lepel broos? Ik gumde de lijnen uit en verbond ze op een andere manier, zodat er ‘deur’ kwam te staan. Broos. Deur? Toen dacht ik aan porte, het Franse woord voor deur, uiteraard. Ik gumde het uit, en ontdekte opeens dat ik de stipjes ook zo met elkaar kon verbinden dat er ‘porte’ stond. Ik ontdekte dat ik van de stipjes ook ‘cyborg’ ‘vogelbekdier’ en ‘tieten’ en zelfs ‘Oskar’ kon maken, als je heel erg Chinees was. Ik kon van de stipjes zowat alles maken wat ik wilde, wat betekende dat ik geen steek was opgeschoten. En nu zal ik nooit meer weten wat ik moest vinden. En ook daarom kan ik niet goed slapen.
Enfin.
Ik mag geen tv kijken, maar ik mag wel documentaires geschikt voor alle leeftijden huren en ik mag lezen wat ik wil. Mijn lievelingsboek is A Brief History of Time, al heb ik het nog niet uit, want er staat zulke moeilijke wiskunde in en mama kan me daar niet zo goed bij helpen. Een van mijn favoriete passages staat aan het begin van het eerste hoofdstuk, waarin Stephen Hawking vertelt over een beroemde natuurkundige die een lezing gaf over de baan die de aarde om de zon beschrijft, en hoe de zon een baan door het zonnestelsel beschrijft, en weet ik veel. Toen stak een vrouw achter in de zaal haar hand op en zei: ‘Wat u daar vertelt is volslagen onzin. De wereld is in werkelijkheid een platte schijf die rust op de rug van een reusachtige schildpad.’ Waarop de natuurkundige haar vroeg waarop de schildpad dan stond. En zij antwoordde: ‘Het is schildpad op schildpad op schildpad!’ Een machtig verhaal vind ik dat, want het laat zien hoe dom sommige mensen zijn. Bovendien ben ik dol op schildpadden.
Een paar weken na de zwarte dag begon ik heel veel brieven te schrijven. Ik weet niet waarom, maar het verlichtte mijn mineurstemming tenminste een beetje. Het rare was dat ik er geen gewone postzegels opplakte maar postzegels uit mijn verzameling, waaronder een paar die veel waard waren, en daardoor ging ik me weer afvragen of het misschien mijn bedoeling was om spullen kwijt te raken. De eerste brief die ik schreef was aan Stephen Hawking. Ik plakte er een postzegel op van Alexander Graham Bell.

Beste Stephen Hawking,
Mag ik alstublieft uw protégé zijn?
Alvast bedankt,
Oskar Schell


Ik had niet gedacht dat hij zou terugschrijven, omdat hij zo’n briljante man is en ik maar zo gewoon ben. Maar toen ik op een dag uit school kwam, gaf Stan me een envelop en zei met het ingeblikte stemmetje dat ik hem had geleerd: ‘Er is post voor je’. Ik stormde de honderdvijf treden naar onze flat op, rende mijn lab in, ging mijn grote bergkast in, knipte mijn zaklantaarn aan en maakte de brief open. Hij was getypt, dat spreekt vanzelf, want Stephen Hawking kan zijn handen niet gebruiken omdat hij lijdt aan amyotrofische laterale sclerose, dat weet ik toevallig, jammer genoeg.

Hartelijk dank voor je brief. Vanwege het grote aantal brieven dat ik ontvang kan ik niet iedereen persoonlijk antwoorden. Maar weet wel dat ik elke brief lees én bewaar, in de hoop dat ik op een goede dag in staat zal zijn om elke brief het antwoord te geven dat hij verdient. Tot die dag verblijf ik, met de meeste hoogachting,

Stephen Hawking


Ik belde mama op haar mobieltje. ‘Oskar?’ ‘Je nam op voordat hij overging.’ ‘Gaat alles goed?’ ‘Ik heb een lamineerapparaat nodig.’ ‘Een lamineerapparaat?’
‘Er is iets ongelooflijks fantastisch dat ik wil bewaren.’ Papa stopte me altijd in, en hij kon prachtige verhalen vertellen, en samen lazen we de New York Times, en soms floot hij ‘I am the walrus’, zijn lievelingsnummer, al kon hij tot mijn ergernis niet goed uitleggen waar het over ging. Wat ik ook zo geweldig vond, was dat hij in elk artikel dat we samen doorlazen wel een fout aantrof. Soms waren het stelfouten, soms een aardrijkskundige fout, of een feit dat niet klopte, en soms werd een gebeurtenis te eenzijdig belicht. Ik vond het heerlijk een vader te hebben die slimmer was dan de New York Times, en ik vond het heerlijk zijn borsthaar door zijn T-shirt tegen mijn wang te voelen, en hij rook altijd zo lekker naar scheerzeep, zelfs aan het eind van de dag. Bij hem zijn maakte me rustig in mijn hoofd. Dan hoefde ik even niets uit te vinden.
Toen papa me die avond instopte, de avond voor de zwarte dag, vroeg ik aan hem of de wereld een platte schijf was die rustte op de rug van een reusachtige schildpad. ‘Pardon?’ ‘Ik wil gewoon weten hoe het kan dat de aarde op zijn plek blijft hangen en niet door het heelal valt.’ ‘Is dit wel Oskar die ik instop? Of heeft een buitenaards wezen zijn hersenen ontvreemd voor een experiment?’ Ik zei: ‘Ik geloof niet in buitenaardse wezens.’ Hij zei: ‘De aarde valt wel degelijk door het heelal. Dat weet je toch, joh. Hij valt voortdurend naar de zon toe. Maar dat noemen ze officieel "een baan afleggen".’ Ik zei: ‘Ja, hèhè, maar waarom is er zwaartekracht?’ Hij zei: ‘Hoe bedoel je waarom is er zwaartekracht?’ ‘Wat is daar de reden voor?’ ‘Wie zegt dat er een reden moet zijn?’ ‘Eh, niemand eigenlijk.’ ‘Het was een retorische vraag.’ ‘Wat is dat?’ ‘Dat betekent dat ik geen antwoord wil hebben, maar iets duidelijk wil maken.’ ‘Wat dan?’ ‘Dat er geen reden hoeft te zijn.’ ‘Maar als er geen reden is, waarom bestaat het heelal dan eigenlijk?’ ‘Omdat de omstandigheden gunstig waren.’ ‘Waarom ben ik eigenlijk jouw zoon?’ ‘Omdat mama en ik met elkaar vrijden en een van mijn zaadjes een eitje van haar bevruchtte.’ ‘Sorry, ik moet even over mijn nek.’ ‘Doe niet zo kinderachtig.’ ‘Toch begrijp ik niet waarom wij bestaan. Ik bedoel niet hoe het kan, maar waarom?’ Ik keek hoe de vuurvliegjes van zijn gedachtegang een baan beschreven door zijn hoofd. Hij zei: ‘We bestaan omdat we bestaan.’ ‘Krijg nou wat?’ ‘We kunnen ons allerlei heelallen voorstellen die in niets op het onze lijken, maar dit is toevallig het heelal dat is ontstaan.’
Ik begreep wat hij bedoelde, en ik was het niet met hem oneens, maar ook niet volkomen eens. Dat je nou toevallig atheïst bent, wil niet zeggen dat je niet graag wilt dat dingen hun bestaansreden hebben.
Ik zette mijn kortegolfradio aan, en met papa’s hulp wist ik een Grieks sprekende man te ontvangen, dat was leuk. We lagen een poosje op de grond naar hem te luisteren, ook al verstonden we niet wat hij zei, en keken naar de lichtgevende sterren op mijn plafond. ‘Je grootvader sprak Grieks,’ zei hij. ‘Je bedoelt, hij spréékt Grieks,’ zei ik. ‘Klopt. Hij spreekt het alleen niet hier.’ ‘Misschien zitten we wel naar hem te luisteren.’ De voorpagina lag als een deken over ons heen. Er stond een foto in van een tennisser die op zijn rug lag, ik nam aan dat hij had gewonnen, maar het was moeilijk te zien of hij blij of verdrietig was.
‘Pap?’ ‘Ja?’ ‘Wil je een verhaal vertellen?’ ‘Tuurlijk.’ ‘Een leuk verhaal?’ ‘In plaats van al die saaie die ik altijd vertel?’ ‘Precies.’ Ik nestelde me zo dicht tegen hem aan dat mijn neus ongeveer in zijn oksel zat. ‘En je onderbreekt me niet?’ ‘Ik zal het proberen.’ ‘Want dat vertelt niet lekker.’ ‘En het is vervelend.’ ‘En het is vervelend.’
Het moment vlak voordat hij aan een verhaal begon was mijn fijnste moment.
‘Ooit, lang geleden, had New York City een zesde district.’ ‘Wat is een district?’ ‘Dat noem ik nou een onderbreking.’ ‘Weet ik, maar als ik niet weet wat een district is, kan ik het verhaal niet volgen.’ ‘Dat is een buurt. Een aantal buurten bij elkaar.’ ‘Dus als er vroeger een zesde district was, wat zijn dan de vijf andere districten?’ ‘Manhattan, natuurlijk, Brooklyn, Queens, Staten Island, en de Bronx.’ ‘Ben ik weleens in een van de andere districten geweest?’ ‘Daar gaan we weer.’ ‘Ik wil het gewoon weten.’ ‘We zijn een paar jaar geleden naar de Bronx Zoo geweest. Weet je nog?’ ‘Nee.’ ‘En we zijn naar Brooklyn geweest om de rozen in de hortus botanicus te bekijken.’ ‘Ben ik in Queens geweest?’ ‘Volgens mij niet.’ ‘Ben ik weleens op Staten Island geweest?’ ‘Nee.’ ‘Was er echt een zesde district?’ ‘Dat wil ik nou net vertellen.’ ‘Geen onderbrekingen meer, beloofd.’
Toen het verhaal uit was, deden we de radio weer aan en troffen iemand die Frans sprak. Dat was vooral leuk omdat het me herinnerde aan de vakantie die we net achter de rug hadden en die van mij eeuwig had mogen duren. Na een poosje vroeg papa of ik nog wakker was. Ik zei nee, want ik wist dat hij me niet graag alleen liet als ik nog wakker was, maar ik wilde niet dat hij de volgende ochtend moe naar zijn werk zou gaan. Hij gaf me een zoen op mijn voorhoofd en wenste me welterusten, en toen was hij bij de deur.
‘Pap?’ ‘Ja?’ ‘Niks.’
De eerstvolgende keer dat ik zijn stem hoorde was toen ik de volgende dag uit school kwam. We mochten eerder naar huis vanwege wat er gebeurd was. Ik maakte me totaal geen zorgen want papa en mama werkten allebei rond Central Park en oma werkte niet, uiteraard, dus alle mensen van wie ik hield waren ongedeerd.
Omdat ik voortdurend op mijn horloge keek, wist ik dat het 10.18 uur was toen ik thuiskwam. Het huis was leeg en doodstil. Ik liep naar de keuken en ondertussen bedacht ik een hefboom voor aan de voordeur die een enorm spaakwiel in de zitkamer in werking zet dat tegen metalen tanden draait aan het plafond waardoor je mooie muziek te horen krijgt, bijvoorbeeld ‘Fixing a hole’ of ‘I want to tell you’. Dan heb je een huis dat één grote muziekdoos is.
Nadat ik Buckminster wat vaseline van mijn vinger had laten likken, want dat is goed tegen haarballen en ik verwen hem graag, luisterde ik het antwoordapparaat af. Ik had toen namelijk nog geen mobieltje, en bij het uitgaan van de school had Tandpasta tegen me gezegd dat hij zou bellen om me te laten weten of hij me in het park zijn skateboard-trucs zou laten zien of dat we samen naar de drogist zouden gaan met de schappen die zo hoog zijn dat niemand kan zien wat je uitvreet, om daar in de Playboy te neuzen.

Eerste bericht. Dinsdag, 8 uur 52. Is daar iemand? Hallo? Met papa. Neem alsjeblieft even op. Ik heb net de zaak gebeld, maar daar werd niet opgenomen. Zeg, er is iets gebeurd. Met mij gaat alles goed. Ze zeggen dat we hier moeten blijven wachten tot de brandweer er is. Het zal vast allemaal goedkomen. Ik bel nog wel even als ik wat meer weet over wat er aan de hand is. Met mij gaat alles dus goed, jullie hoeven je geen zorgen te maken. Tot zo.

Er waren nog vier berichten van hem: eentje om 9.12, eentje om 9.31, eentje om 9.46 en eentje om 10.04. Ik luisterde ze allemaal af, en nog eens, en voordat ik had bedacht wat ik moest doen of wat ik moest denken of voelen, ging de telefoon.
Het was 10 uur 22 minuten en 27 seconden. Ik keek naar de nummerweergave en zag dat hij het was.
Extreem Luid & Ongelooflijk Dichtbij is het beste boek dat ik dit jaar heb gelezen, VTM Het Nieuws 12-9-'05

Briljant boek legt bespreker lamIets met boeken (radio 1) 5-5-'05

Geboren om te stervenFinancieel Dagblad
19-3-'05

Een wonderkind én een total loss, Vrij Nederland
16-4-'05

Quotes

Foer is een leessensatie , Hanneke Groenteman
Extreem Luid & Ongelooflijk Dichtbij is het beste boek dat ik dit jaar heb gelezen
Warm, teder, echt, verrassend, fantasierijk, verbluffend, intelligent, origineel. En grappig.
Jonahan Safran Foer (1977) viel met zijn debuutroman Alles is Verlicht -nog niet gelezen- meteen op. Het boek kreeg belangrijke prijzen, de literaire wereld had een nieuwe grote naam. De vraag was dan ook of Jonathan Safran Foer zijn debuut zou kunnen overstijgen. Het antwoord is ja, zegt iedereen.
Oscar is een verstandige jongen van negen. Hij heeft zijn vader verloren in de WTC-Torens in New York op 11 september 2001. De jongen kan het gemis niet verwerken. Op zoek naar herinneringen aan zijn vader vindt hij een onbekend sleuteltje in een vaas. Hij kamt half New York uit om te weten te komen waarvoor dat sleuteltje dient. En Oscar wil tussendoor ook nog eens alles vernemen van de wereld. Zijn nieuws- en leergierigheid kent geen grenzen. En daarom is hij tussendoor ook nog uitvinder, sieradenontwerper, archeoloog, slagwerker, schrijver van fanmail, pacifist, Shakespeare-acteur, inconsequent veganist, verzamelaar van vlinders die een natuurlijke dood zijn gestorven.
Dat is nog maar het verhaal in het kort.
Er is veel meer: zijn zo zwijgende moeder, zijn lieve oma, zijn verdwenen opa, een vriend van zijn moeder, een stel New Yorkers die Oscar helpen zoeken naar het slot van het sleuteltje. En dan is er nog dat oorlogsverleden, dat bombardement in Dresden.
De lezer heeft aardig wat werk om al die verhalen in elkaar te laten vallen, de schrijver doet het niet echt voor je, het boek is niet uit wanneer je de laatste pagina voorbij bent.
Maar nog belangrijker: het boek is zo goed geschreven. Het wemelt van die zinnen die je meteen wilt overschrijven.
"Verlegenheid is als je je afkeert van iets wat je wilt. Schaamte is als je je afkeert van iets wat je niet wilt." (p. 194)
"De mens is het enige dier dat bloost, lacht, in een god gelooft, oorlog voert en met zijn lippen kust. Dus in zekere zin, hoe meer je met je lippen kust, hoe meer mens je bent." (p. 111)
"Er is niets om iemand te overtuigen die niet overtuigd wil worden." (p. 239)
"Ik vind het jammer dat het een leven duurt om te leren hoe je moet leven." (p. 200)
"Ik vroeg hem of hij een racist was. Hij zei dat hij nerveus werd van armoede, niet van mensen." (p. 210)
Het boek is ingenieus gecomponeerd en het spat uiteen van de fantasie. Zo vindt Oscar een postzegel uit waarvan de achterkant naar crème brûlée smaakt! (p. 208). Die fantasie is ook zichtbaar verder uitgewerkt, grafisch ongezien. In het boek staan foto's van onderwerpen die ter sprake komen. Op sommige bladzijden staan er drie spaties tussen elke zin. Naar het einde toe lopen de letters soms in elkaar omdat iemand te weinig plaats heeft om alles te vertellen. Er staan bladzijden in met handtekeningen in kleur van mensen die balpennen uitproberen in een pennenwinkel. Misschien heeft de vader van Oscar wel een rode balpen gekocht vlak voor zijn dood? Soms staat er maar één woord of één enkele zin op één pagina. En zo dring je altijd maar dieper en dieper in het brein van Oscar.
Als lezer zit je in een roetsjbaan, met topsnelheden van 140 kilometer per uur. Foer laat de bewegingen en gedachten van zijn personages heen en weer flitsen als bliksems, hij laat de personages zichzelf relativeren. Het is een boek dat je leest met permanent opengesperde ogen, je valt van de ene verbazing in de andere. Onwaarschijnlijk. Dit is literatuur, de dingen omschrijven zoals ze zijn, zonder franjes, zoals het is, zoals het verzonnen is. Zoals er over nagedacht is.
"Het leven is zo onbeduidend dat het afgemeten aan het heelal en aan de tijd er niets toe doet of ik nu wel of niet besta." (p. 98)
"We praatten uren achtereen, maar we zeiden dezelfde dingen steeds opnieuw. De bodem van onze kopjes kwam in zicht. De bodem van de dag kwam in zicht." (p. 94).
Ik denk dat ik nog nooit zoveel fantasie in één boek heb gelezen.
Jonathan Safran Foer verveelt nooit, in geen enkele zin, in geen enkele paragraaf, op geen enkele bladzijde. Hij beschrijft het onbeschrijflijke. Loop naar de boekhandel, koop dit boek en zet het op het schap Nooit Vergeten.
En als iemand vraagt: waarover gaat het boek eigenlijk? Het antwoord staat zo mooi op pag. 330 "Het is beter iets te verliezen dan nooit iets te hebben gehad."

Patrick Van Gompel, VTM Het Nieuws 12-9-'05


Briljant boek legt bespreker lam
- Ik begin er even niet meer aan. Een nieuw boek lezen is zinloos. Het ideale boek heb ik namelijk net uit. En dus zit ik op een stoel en staar wat voor me uit. Af en toe sta ik op om het boek te pakken. Even bladeren en de geur opsnuiven. Dat is voldoende.

- 't Is alsof ik van een lange vakantiereis ben teruggekomen. Mijn lichaam voelt totaal ontspannen, maar in mijn hoofd tolt het nog.

- Soms valt mijn oog op een ander boek waar ik ook in begonnen was. Dan moet ik stilletjes lachen.

- Gisteren stond ik in de boekwinkel en heb ik bij de kassa een boek uit iemands handen gepakt. "U maakt een vergissing', zei ik terwijl ik het gekozen boek terug zette in de kast. Ik keek naar de cassiere en gaf haar een geruststellend knikje. Ik legde Extreem luid en ongelooflijk dichtbij op de toonbank. 'Meneer bedoelde dit boek'.

- Mijn ouders zijn op vakantie in Duitsland. Ik heb ze per SMS gedwongen het boek desnoods in het Duits te lezen. Het regent er al dagen, maar wat zullen ze een mooie vakantie hebben.

- U zegt zo meteen al uw afspraken voor het komend weekend af. U pakt uw agenda en noteert: het weekend dat ik Extreem luid en ongelooflijk dichtbij las.


Chris Bajema, Iets met boeken (Kunststof, radio 1) 5-5-'05
Geboren om te sterven
Toen de Amerikaanse schrijver Jonathan Safran Foer nog niet zo lang geleden werd geïnterviewd door een journaliste van de New York Times, verraste hij zijn ondervraagster na afloop van het gesprek met een gift. Hij schonk haar een vel wit papier. De journaliste wist niet zo hoe zij dit cadeau moest interpreteren. Was het een grap? Een verwijzingen naar Safran Foer’s nieuwste roman Extreem luid & ongelooflijk dichtbij? Gelukkig wilde de schrijver een tipje van de sluier oplichten: dit papier had ooit toebehoord aan Isaac Bashevis Singer, een auteur die door Safran Foer werd bewonderd. En ja, hij verzamelde zulke blanke pagina’s, geobsedeerd als hij was door datgene wat niet werd gezegd of waarvoor geen woorden bestonden.
Ook in Extreem luid & ongelooflijk dichtbij is een aantal onbeschreven pagina’s opgenomen. Ze staan midden in de tekst en ze symboliseren het onzegbare. Als een afgrond zijn ze, een peilloze diepte vol angst, leed en ellende. Misschien verwijzen ze ook wel naar één van Safran Foer’s geliefde Europese denkers: Nietzsche heeft opgemerkt dat alles dat we makkelijk kunnen verwoorden, dood is in onze ziel.
Safran Foer’s Extreem luid & ongelooflijk dichtbij verschijnt drie jaar na zijn wereldwijd geprezen én bekroonde debuutroman Everything is Illuminated. Safran Foer was nauwelijks 25 jaar oud en net afgestudeerd in de filosofie toen Everything is Illuminated hem in één klap beroemd maakte. Natuurlijk werd er vanaf dat moment reikhalzend uitgekeken naar een tweede boek. Kon Safran Foer de verwachtingen inlossen? Zou het hem lukken nog zo’n prachtig verhaal te schrijven? Zijn uitgever dacht van wel en gaf hem alvast een voorschot van 1 miljoen dollar, een ongekend hoog bedrag voor een zo jonge schrijver.
Hoofdpersoon in Extreem luid & ongelooflijk dichtbij is de 9-jarige, hyperintelligente Oskar Schell, die op 9/11, bij de aanval op het World Trade Centre, zijn vader kwijt raakt. Het jongetje blijft achter met zijn moeder en extrentrieke oma, die net als hij een groot verlies hebben geleden. Voor zijn oma is het bovendien niet de eerste keer: zij verloor als jong meisje in het Duitse Dresden haar hele familie bij de geallieerde bombardementen in WOII. Oskar - door de schrijver vernoemd naar het gelijknamige wonderkind uit Die Blechtrommel van Günther Grass – moet proberen zijn leven weer zin te geven. (...)
Extreem luid & ongelooflijk dichtbij is net als Alles is verlicht in grote lijnen autobiografisch. De vader, moeder en grootouders uit het boek zijn geënt op Safran Foer’s familieleden en het onmogelijke, irritante, maar ook ontroerende jongetje Oskar heeft zonder twijfel veel weg van Safran Foer zèlf op die leeftijd. In de Amerikaanse kranten circuleert al enige tijd een foto van de schrijver als kind van een jaar of acht, waarop hij is gekleed in een Olie B. Bommel-jasje en aan iedere hand een paar enorme glimmende ringen draagt. Natuurlijk zijn de overeenkomsten voor het verhaal irrelevant, ook al omdat Safran Foer er zo ontzettend veel omheen verzint. Hij is een fantastische, barokke, onorthodoxe schrijver en het is moeilijk hem in een traditie te plaatsen. Een surrealist is hij niet maar hij bekijkt de wereld graag met de semi-naieve blik van zijn jonge hoofdpersoon en dat levert vaak absurde situaties op. Extreem luid & ongelooflijk dichtbij staat vol dwaze plannen en zinloze gedachtenexperimenten die toch zo hun nut blijken te hebben.(...)
Want als er één notie is in Extreem luid & ongelooflijk dichtbij waaraan Safran Foer vasthoudt, is het dat we geboren worden om te sterven. In die zin lijken onze levens op wolkenkrabbers, laat hij Oskar denken: ‘de rook kan langzaam of snel stijgen maar de gebouwen staan in brand en wij zitten gevangen.’ Het is een gegeven waaruit Oskar zichzelf en de mensheid niet kan bevrijden. Zelfs niet door het slot te vinden waarop zijn sleutel past. Toch is Extreem luid & ongelooflijk dichtbij veel meer dan alleen een boek over verdriet. In de gemankeerde levens van Oskar Schell en zijn familieleden is alle ruimte voor liefde en voor een idioot soort humor. Safran Foer is in die zin verwant met ‘onze’ Arnon Grunberg: tegenover vrijwel iedere gruwel staat een lach en soms vallen lach en gruwel ook op een aangrijpende manier samen.
‘Het is erg moeilijk om iets briljants te maken’, zei Safran Foer in 2000 tegen een Amerikaanse journalist ‘maar soms struikel je over iets briljants’. Hij doelde daarmee op de vaak richtingloze, bijna ‘toevallige’ manier waarop hij schrijft. Maar als er al iets toevallig is aan dit boek, is het toevallig wel briljant. Extreem luid & ongelooflijk dichtbij is nog beter dan Alles is verlicht.

Marieke Smithuis, Financieel Dagblad 19-3-'05
Een wonderkind én een total loss
Oskar Schell is het volwaardige neefje van Holden Caulfield uit The Catcher In The Rye. (...) Een van de redenen waarom Extreem luid & ongelooflijk dichtbij niet struikelt over zijn eigen genialiteit is dat Foer de touwtjes in handen houdt. (...) Op een gegeven moment, zonder dat je het voelt aankomen (maar het is het hele boek al aangezet), barst je in huilen uit. (...) Het kapitaal van Foer is onaanwijsbaar en geheim. Misschien is het zijn luide, licht megalomane toon die komt uit de mond van zijn wereldwijze én naïeve personages, die de meesterhand verraadt in een schrijverschap dat zich van conventies niets aantrekt omdat het van nature over het vermogen beschikt te laten lachen en te ontroeren.

Doeschka Meijsing, Vrij Nederland 16-4-'05
Quotes
‘Een inventieve, originele, en stilistisch geweldige roman. EL&OD is het soort boek waarvan het einde na een dikke driehonderd pagina’s nog te snel komt.’
Spits 20-05-'05

‘Ontroerend, geestig, een prachtig boek over de zinloosheid van het leven en het belang van de liefde.’
In Magazine 25-05-'05

‘Foer vertelt een verhaal dat verteld moet worden en dat we allemaal moeten lezen, omdat we armere mensen zijn als we het niet deden.’
NIW 20-05-'05

‘Het kapitaal van Foer is onaanwijsbaar en geheim. Misschien is het zijn luide, licht megalomane toon die komt uit de mond van zijn wereldwijze én naïeve personages, die de meesterhand verraadt in een schrijverschap dat zich van conventies niets aantrekt omdat het van nature over het vermogen beschikt te laten lachen en ontroeren.’
Vrij Nederland 16-04-05

EL&OD is een vaak hilarisch maar soms ook hartverscheurend boek.’
de Volkskrant

‘Mozart, Cruyff, Foer’
Carp 10-05-'05

‘Een roman zoals ze maar zelden gemaakt worden: rijk, verrassend, origineel, diepgravend, grappig, intriest, hoopgevend en bovenal niet te missen.’
De Morgen 25-05-'05

‘Jonathan Safran Foers combinatie van absoluut bandeloze fantasie in vorm en plot enerzijds en ingeleefde, gemeende en vooral ingetogen emotie anderzijds, maken EL&OD tot een onvergetelijke leeservaring.’
De Morgen 25-05-'05

EL&OD weet te ontroeren, te chermeren en biedt voldoende stof tot nadenken.’
Standaard der Letteren vj '05

‘Verpletterende roman.’
Het Parool

‘Een mooi, ontroerend en vaak ook grappig verhaal met een intelligent plot.’
Living augustus '05